Box 3 is in de afgelopen drie jaar fundamenteel veranderd. De Hoge Raad oordeelde dat het oude forfaitaire stelsel in strijd was met het eigendomsrecht. Het kabinet reageerde met een tussenstelsel en kondigde een definitieve herziening aan: belasting op werkelijk rendement. In 2026 zijn de contouren van dat nieuwe stelsel helder — en voor vermogende particulieren die nog niet hebben gehandeld, is het moment om te structureren nu aangebroken.
Dit artikel legt uit wat box 3 in 2026 precies inhoudt, welke vrijgestelde categorieën nog bestaan, en welke twee structuren het meeste effect hebben: de BV-route en de familiebank.
Wat is box 3 in 2026?
Box 3 is de heffing op vermogen in de privésfeer: spaargeld, beleggingen, tweede woningen en overig vermogen dat niet in box 1 (werk) of box 2 (aanmerkelijk belang) valt. Na jaren van juridische strijd is het stelsel per 2026 overgegaan naar een systeem dat dichter bij het werkelijke rendement aanzit.
De kernpunten voor 2026:
Werkelijk rendement als uitgangspunt. Belast worden de inkomsten die het vermogen daadwerkelijk heeft gegenereerd: rente, dividend, huur, en ongerealiseerde koerswinst op aandelen (vermogensmutaties). Wie verlies lijdt, heeft recht op verrekening in hetzelfde jaar of overdracht naar volgende jaren.
Heffingvrij vermogen vervalt. Het vertrouwde heffingvrije vermogen (in 2025 nog €57.000 per persoon) is in het nieuwe stelsel niet meer de basisvrijstelling in de klassieke zin. In plaats daarvan geldt een heffingvrij inkomen uit vermogen — een drempel op de opbrengst, niet op het vermogen zelf. Het exacte bedrag voor 2026 volgt uit de Belastingdienst-parameters; het effect is dat kleine vermogens die weinig rendement maken, meer beschermd zijn dan voorheen, terwijl grotere vermogens met hoog rendement nu meer betalen.
Belastingtarief box 3: 36% over het belastbare inkomen uit vermogen (werkelijk rendement boven de vrijstelling).
Vrijgesteld vermogen: vermogen in eigen woning (box 1), pensioen, lijfrenten, en vermogen in een BV (dat valt in box 2, niet box 3). Dit laatste is de sleutel.
Het probleem: 36% over werkelijk rendement kan fors zijn
Het nieuwe stelsel wordt door velen als eerlijker ervaren dan het oude forfait, maar voor succesvolle beleggers kan het zwaarder uitpakken. Wie in 2026 een ETF-portefeuille van €500.000 aanhoudt en daarmee 8% rendement (€40.000) behaalt, betaalt in box 3 over dat werkelijke rendement 36% = €14.400. Effectief 2,88% van het vermogen per jaar — iets meer dan het oude forfait bij goede beleggingsjaren, maar potentieel veel hoger in topjaren.
Voor vermogen boven €500.000 loopt dit snel op. En omdat ongerealiseerde koerswinst ook meetelt, kan er een belastingfactuur ontstaan op papieren winst die u nog niet heeft gerealiseerd.
Structuur 1: vermogen in een BV plaatsen
De meest directe manier om box 3 te elimineren is het vermogen onderbrengen in een besloten vennootschap. Vermogen in een BV valt in box 2, niet in box 3. U betaalt geen box 3-heffing zolang het vermogen in de BV zit.
In plaats daarvan betaalt de BV vennootschapsbelasting (Vpb) over de gerealiseerde winst: - 19% Vpb over de eerste €200.000 winst (2026-tarief) - 25,8% Vpb over het meerdere
Zolang u ETF's aanhoudt in een accumulerende structuur — waarbij koerswinst niet wordt gerealiseerd — is er in de BV geen belastbaar moment. De BV betaalt jaarlijks alleen Vpb over de ontvangen dividenden van de ETF. Bij de meeste accumulerende all-world ETF's is dat een relatief klein bedrag. Box 3 is intussen volledig afwezig.
Het verschil is aanzienlijk. Stel: €500.000 in een ETF met 8% koersgroei en 0,3% dividend. In box 3: 36% × (€40.000 + €1.500) = €14.940. In een BV: 19% Vpb × €1.500 dividend = €285. Het verschil per jaar: €14.655. Over twintig jaar compoundeert dat naar een voordeel van meer dan €300.000 (afhankelijk van rendementen en exacte BV-kosten).
Er is een kanttekening: op het moment dat u geld uit de BV haalt, betaalt u alsnog box 2 (24,5% over dividenden tot €67.000, 33% daarboven in 2026). Maar u kiest zelf het moment — dat is het grote verschil. U stelt belastingheffing uit totdat het fiscaal gunstig is, of totdat u het geld daadwerkelijk nodig heeft.
Structuur 2: de familiebank
Een tweede structuur die direct box 3-vermogen verlaagt is de familiebank: de Familie BV als interne bank voor uw kinderen. De werking is eenvoudig. Uw kinderen hebben kapitaal nodig — voor een eerste woning, studie of ondernemersstart. In plaats van dat zij naar een externe bank gaan (met externe rente), lenen zij van de Familie BV.
De ouders storten vermogen in de Familie BV (of de kinderen storten agio vanuit schenkingen die ze ontvangen). Dat vermogen staat dan in box 2, niet meer in box 3 voor de ouders. De kinderen lenen vanuit de Familie BV tegen een zakelijke rente — die rente blijft binnen de familie in plaats van naar een externe bank te gaan.
Het directe box 3-effect: het vermogen dat wordt omgezet naar de Familie BV of geleend aan familieleden via de BV, verdwijnt uit de box 3-grondslag. Een lening aan een eigen kind via de Familie BV telt niet mee als box 3-bezitting voor de ouders; het is een bezitting van de BV, die belast is in box 2.
Voor families met kinderen die op het punt staan een woning te kopen, is dit een dubbel voordeel: lagere box 3-aanslag voor de ouders, lagere rente voor het kind ten opzichte van een hypotheekbank.
Vrijgesteld vermogen: wat telt niet mee in box 3?
Naast de BV-route zijn er categorieën vermogen die ook in 2026 (geheel of gedeeltelijk) buiten box 3 vallen:
- Eigen woning met hypotheek: telt voor box 1, niet voor box 3
- Pensioen en lijfrenten: vrijgesteld in box 3, belast als uitkering in box 1
- Groen beleggen: gedeeltelijke vrijstelling (actuele grens: raadpleeg uw fiscalist; de vrijstelling is in 2025/2026 fors ingeperkt)
- Aandelen in een BV met meer dan 5% belang (aanmerkelijk belang): vallen in box 2, niet in box 3
Het groen-beleggen-voordeel is sterk afgebouwd. De BV-route en de familiebank blijven de twee krachtigste instrumenten voor structurele box 3-reductie.
Wanneer loont de structuur?
De MYFO-structuur (Familie BV + STAK) is fiscaal interessant als u aan minimaal twee van deze criteria voldoet:
- Vrij besteedbaar vermogen van €350.000 of meer in box 3
- Verwacht rendement van meer dan 3% per jaar op dat vermogen
- Planningshorizon van minimaal tien jaar (compounding maakt het grote verschil)
- Kinderen aan wie u wilt overdragen, nu of in de toekomst
Onder de €350.000 wegen de opzetkosten (fiscalist + notaris ±€12.500, plus de MYFO-instapfee van 0,75% van uw vermogen) niet op tegen de fiscale besparing. Boven die grens, zeker bij grotere vermogens, zijn de besparingen over vijf tot tien jaar doorgaans een veelvoud van de opzetkosten.
Wat verandert er nog in box 3?
Het nieuwe stelsel is per 2026 wet geworden, maar er zijn nog lopende procedures. Belastingplichtigen die in de overgangsperiode (2023–2025) te veel hebben betaald op basis van het forfait, hebben in veel gevallen recht op teruggave — maar alleen als zij tijdig bezwaar hebben gemaakt (de massaal-bezwaarprocedure). Wie dat niet heeft gedaan, kan in principe geen aanspraak meer maken op herstel voor die jaren.
Voor 2026 geldt het nieuwe stelsel volledig. Er zijn geen overgangsregelingen meer voor het forfait. Het werkelijk rendement is leidend, en de aangifte vereist dat u uw beleggingsresultaten gedetailleerd opgeeft. Dit maakt een goede administratie (en een betrouwbare structuur die dat bijhoudt) meer waard dan ooit.
Hoe MyFamilyOffice u helpt
MyFamilyOffice verplaatst uw vermogen van box 3 naar de juiste structuur: de Familie BV (belast in box 2) gecombineerd met een STAK die de kinderen certificaathouder maakt. U stopt box 3-heffing, behoudt de controle over uw vermogen, en draagt de economische waarde gecontroleerd over aan de volgende generatie.
De opzetkosten zijn 0,75% van uw vrij besteedbaar vermogen (eenmalig), daarna €99 per maand. Uw fiscalist en notaris regelt u zelf (indicatief ±€12.500). De structuur is aantrekkelijk vanaf €350.000 vermogen.