Als directeur-grootaandeelhouder bouwt u geen werkgeverspensioen op — uw pensioeninkomen komt uit uw eigen BV, via dividenduitkering of een apart lijfrente- of bankspaarproduct. Welke route fiscaal gunstiger is, hangt af van uw vermogenspositie, uw andere inkomsten en de structuur die u nu heeft staan.

Dit is de afweging die veel ondernemers op hun vijftigste niet maken en op hun vijfenzestigste betreuren.

Waarom de DGA een eigen keuze moet maken

Werknemers bouwen via hun werkgever een pensioen op dat bij pensionering automatisch wordt uitgekeerd. Als DGA ontbreekt dat mechanisme. U heeft weliswaar een BV — en in die BV zit doorgaans vermogen — maar een BV keert niet automatisch inkomen uit. U moet de structuur bewust inrichten: hoeveel blijft in de BV, hoeveel keert u wanneer uit, en welke fiscale route is daar het meest efficiënt voor?

De twee meest gebruikte routes zijn een lijfrente of bankspaarproduct enerzijds, en periodieke dividenduitkeringen uit een holding BV anderzijds. Beide zijn legaal, beide hebben fiscale voor- en nadelen. Het verschil zit in flexibiliteit, tarief en timing.

Route 1: lijfrente of banksparen

Bij een lijfrente of bankspaarrekening stort u jaarlijks een bedrag dat u in mindering brengt op uw box 1-inkomen. De aftrek loopt via de jaarruimte en reserveringsruimte die de Belastingdienst jaarlijks vaststelt op basis van uw pensioengrondslag. Het bedrag is daadwerkelijk beperkt — wie als DGA een bescheiden salaris hanteert, heeft ook een beperkte jaarruimte.

De aftrek is aantrekkelijk zolang u een hoog box 1-inkomen heeft. Wie in de top van box 1 zit (boven €75.518 in 2026 betaalt 49,5%), ontvangt feitelijk een aftrekvoordeel van bijna de helft van het ingelegde bedrag. Later, bij uitkering, wordt het inkomen belast als box 1-inkomen. Als dat pensioentarief lager is dan het opbouwtarief, levert de constructie een nettoverschil op.

Maar: bij uitkering is de flexibiliteit verdwenen. Een lijfrente loopt verplicht door, de uitkeringsperiode en het product liggen vast. Eerder opnemen of de volgorde veranderen kost revisierente en belastingschade. En als uw nalatenschap straks belast wordt, valt een lijfrente-aanspraak voor een partner in de erfbelasting — zij het met vrijstellingen.

Route 2: dividenduitkering uit een holding

De holding BV keert dividend uit aan de aandeelhouder. De BV heeft over haar winst al 19% vennootschapsbelasting betaald. Het nettoresultaat dat in de BV is blijven zitten, kan op elk gewenst moment worden uitgekeerd. Over de uitkering betaalt de aandeelhouder box 2-belasting: 24,5% over de eerste €67.804 per persoon per jaar, 31% over het meerdere.

De gecombineerde druk (Vpb + box 2 eerste schijf) bedraagt dan: 19% + (81% × 24,5%) = 19% + 19,8% = afgerond 38,8% effectief. Dat is hoger dan het Vpb-tarief alleen, maar de timing is volledig in eigen handen. U keert uit wanneer u wilt, in het bedrag dat u wilt.

Dat tijdsstuurmechanisme is het kernvoordeel. Heeft u een jaar met hoge andere inkomsten, dan keert u minder uit. Heeft u een laag inkomen — bijvoorbeeld bij deeltijdpensionering — dan keert u meer uit en benut u de lage box 2-schijf optimaal. Heeft u een fiscaal partner, dan kunt u samen €135.608 per jaar in de lage box 2-schijf uitkeren: twee keer €67.804.

Bovendien groeit het vermogen dat in de BV blijft, door onder Vpb-tarief in plaats van onder box 3. Bij een ETF-portefeuille met 8% rendement en een portefeuilleomvang van €1.000.000 scheelt dat jaarlijks ruwweg €5.000–€10.000 aan belasting ten opzichte van dezelfde portefeuille in privé — zonder dat u ook maar iets hoeft te doen.

Rekensom: twee DGA's, tien jaar verschil

Stel: twee DGA's hebben allebei €1.500.000 in hun BV. Beiden gaan over tien jaar met pensioen en willen daarna €60.000 netto per jaar.

DGA A heeft geen holding-structuur maar een lijfrente opgebouwd buiten de BV. Zijn uitkeringen worden belast als box 1-inkomen (afhankelijk van totale inkomenspositie, effectief belast tussen 36,97% en 49,5%). Flexibiliteit: geen.

DGA B heeft zijn BV omgezet naar een holding met een certificeringsstructuur. Hij keert jaarlijks dividend uit tot de grens van de lage box 2-schijf (samen met zijn partner €135.608 bruto), wat netto circa €82.000 oplevert — ruim boven zijn doelstelling. Het resterende vermogen in de holding blijft doorgroeien onder Vpb. Bij overlijden zit een groot deel van het familievermogen al bij de kinderen via de jaarlijkse schenkvrijstelling. Flexibiliteit: volledig.

Het vermogen van DGA B blijft bovendien beschikbaar voor zijn kinderen. Lijfrentekapitaal is per definitie geconsumeerd.

Wat u nu kunt doen

De keuze tussen lijfrente en holding-dividend is niet voor iedereen dezelfde. Voor wie al een actieve BV heeft met substantieel vermogen — vanaf circa €350.000 — is de holding-route in de meeste gevallen fiscaal efficiënter én flexibeler. De lijfrente heeft vooral voordelen voor wie nu in de hoogste box 1-schijf zit én verwacht later in een lagere schijf te vallen.

Wie beide opties wil vergelijken op basis van zijn eigen vermogenspositie, doet er goed aan de structuur nu te laten doorrekenen — niet over vijf jaar, als de spelregels mogelijk zijn aangepast.

Hoe MyFamilyOffice u ondersteunt

Uw persoonlijke Family Office assistent in MYFO brengt uw huidige vermogenspositie in kaart en rekent door welke route — holding-dividend, lijfrente of een combinatie — bij uw situatie past. U krijgt een concreet pensioenmodel: hoeveel blijft in de BV, hoeveel keert u wanneer uit, wat zijn de fiscale gevolgen per jaar en over de looptijd. De structuur wordt zo ingericht dat u fiscaal optimaal uitkeert wanneer het voor u uitkomt — niet wanneer een verzekeraar dat besluit.

Zet de eerste stap vóór de regels veranderen — begin vandaag met de gratis analyse op myfo.nl.

Wilt u weten of uw BV-structuur optimaal is ingericht?

Bereken uw voordeel Zet mij op de wachtlijst

Gerelateerde inzichten

Lees ook
Wat is een Family Office — en heeft u er één nodig?
Lees ook
Vastgoed in Box 3: wat verandert er en hoe positioneert u uw pand slim?
Lees ook
Wat is een STAK — en waarom gebruiken vermogende families het?